Stap voor stap daalt Pieter de trap af. De wenteltrap in zijn ouderlijk huis voelt als een neerwaartse spiraal. Net nadat hij de eerste voet op de eikenhouten laat landen, realiseert hij zich: “Fuck, het is natuurlijk zondag” Dan wordt er uitgebreid ontbeten in huize Hofmeijer. Halfvolle melk, boerenbont servies, wit tijgerbrood en de geur van versgebakken broodjes. 

Zijn moeder staat een omeletje te maken. Hij hoort het doortrek-geluid van het toilet en zijn vader wandelt de keuken in. “Mogge Pieter, katertje pik?” en hij tikt hem tegen zijn schouder alsof hij er vannacht bij was. “Een tikkeltje populair,” denkt Pieter, terwijl hij lamgeslagen antwoord ‘gaat wel’. Een gebrekkig antwoord die bij zijn huidige staat past.

 “Heb je het gisteren tijdens je sollicitatiegesprek nog over voorwaarden gesproken?” Bemoedering op zondagmorgen, ook al is het van zijn vader. De timing is beroerd. Hij heeft gisteren blank gestaan en een paar uur terug de avond nog dichtgekit met een knoflook-erig iets. Er glijdt een half omelet op zijn bord en voordat hij ‘thanks’ kan zeggen loopt zijn moeder al terug naar het fornuis. “Dat salaris komt goed pa. Pass mij eerst de zout even.”


De term salaris ontleend aan het Latijns salarium, dat ‘zoutrantsoen’ of salaris betekent. In de tiende eeuw voor Christus waren de Kelten in Europa. Zij waren de eersten die zout als betaal- en ruilmiddel gebruikten. De Romeinen namen dit over en betaalden hun soldaten doorgaans uit in zoutrantsoenen, het ‘witte goud’. Ook rondtrekkende ambtenaren in het Romeinse Rijk kregen dit soort loon en vergoedingen. Er zijn taalkundigen die denken dat soldaat afstamt van de woorden sal dare (zout geven).